.
. .

Gedachten bij zondag 15 en 22 maart

Leesrooster

Zondag 15 maart

Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Vanaf die dag was de geest van de Heer over David. (1 Sam. 16 : 13)

We moeten de daden van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is; de nacht komt, en dan kan men niet werken. (Joh. 9 : 4) 

Je zou de geschiedenis van het volk Israël in de Bijbel kunnen omschrijven als: één lange zoektocht naar de ware koning. In het (profetische!) boek Samuël lezen we over het begin van die zoektocht. Het volk wil een koning, zoals alle andere volken. De profeet en leider van het volk, Samuël, waarschuwt. Weet wat je je op de hals haalt! Want een koning heeft een hofhouding nodig en zal belasting innen en oorlog voeren. Maar ondanks die waarschuwingen gaat het toch gebeuren. De eerste koning is Saul. Maar die blijkt toch niet te bevallen. Terwijl Saul nog koning is, wordt David al gezalfd als beoogd opvolger. Het lijken duistere politieke intriges. Met een ongezonde vermenging van kerk en staat, zouden wij vandaag zeggen. De manier waarop de zalving van David verteld wordt, is veelzeggend. Als Samuël door de Heer op weg wordt gestuurd om in Betlehem één van de zonen van Isaï te zalven, worden alle zonen aan hem voorgesteld. Grote, krachtige mannen. Maar niemand die geschikt is in Gods ogen. Dan wordt als laatste het jongste broertje, die buiten de schapen hoedt, erbij gehaald. Ze hadden hem eigenlijk over het hoofd gezien, maar God ziet anders. God ziet het hart aan (vers 7). Deze jongen moet het worden. Een knap kereltje, ‘met sprekende ogen’- waar je je van alles bij voor mag stellen. En zo wordt David de gezalfde. De koning is een herder. Maar is hij ook de ware koning?

Het zit diep in ons, om ons blind te staren op de buitenkant, op wat groot en krachtig is. We staren ons blind op de macht, de macht van het geld, de macht van het kapitaal en van het succes – alsof daar de waarde van het leven te vinden is. Dan kijken we met afgunst naar de mensen die lijken te slagen in het leven, die het ogenschijnlijk voor de wind gaat, alsof daar het geluk van het leven van afhankelijk is. Het zit diep in ons, om vast te klampen aan alles waar we houvast van verwachten, bezit, eigen kracht en vermogen en prestaties. Maar in het geloof word je telkens weer uitgedaagd om te vertrouwen op de kracht van het zwakke, op de macht van het hoeden en niet van het heersen (of beheersen). De jongste, de kleinste, de laatste, het herdertje, die moet Hij hebben, als God zich een koning zoekt voor Israël. Zo leert hij Samuël – en ons – kijken, anders kijken.

Zondag 22 maart

Hij maakte ook draagstokken van acaciahout en bedekte die met goud. De draagstokken werden in de ringen gestoken aan de zijkanten van de ark om die zo te kunnen dragen.  (Exod. 37 : 4,5)

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster, Marta. (Joh. 11 : 1)

Het verhaal van de opwekking van Lazarus is met recht een wonderlijk verhaal. Bij alle bijzondere wondertekenen die Jezus in het evangelie verricht, is dit toch wel het sterkste staaltje. Iemand terugroepen uit de dood. De lijklucht hangt al om Lazarus heen. Het lijkt te gek voor woorden. Je zou er sprakeloos van worden. Tenminste voor één iemand in het verhaal geldt dat heel letterlijk. Van Lazarus horen wij geen stom woord. Hoe moet dat zijn om dood te zijn, echt dood, en dan teruggeroepen te worden het leven in? 

Van de Portugese schrijver José Saramago is de roman Het evangelie van Jezus Christus. De schrijver, die zichzelf atheïst noemt, geeft een eigenzinnig beeld van het evangelie, waarin op een gegeven moment ook de dood van Lazarus wordt beschreven. Martha zegt dan tegen Jezus: “Als jij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Jezus antwoordt dan: “Je broer zal verrijzen” en Hij maakt zich op om de daad bij het woord te voegen. Alle krachten spannen in hem samen. Hij is helemaal zeker dat hij Lazarus kan doen opstaan omdat God het wilde, maar – zo gaat het in dat fragment dan verder – “op dat moment, dat werkelijk allerlaatste moment, legde Maria van Magdala haar hand op Jezus’ schouder en zei, Niemand heeft zoveel zonden begaan in zijn leven dat hij het verdient om tweemaal te sterven, toen liet Jezus zijn armen vallen en liep naar buiten om te huilen.”

Het is een verhaal met diepe symbolische lagen. Het wordt verteld als Jezus van Zichzelf heeft getuigd dat Hij de opstanding en het leven is. Het is een paasverhaal vóór Pasen. Onze wereld is vol van de dood. Niet alleen de dood als laatste onvermijdelijke grens die voor ieder mens geldt. Er is ook zoveel dood IN het leven. Maar… dit verhaal van Lazarus gaat niet over de dood. Het gaat over het leven. Helemaal aan het begin van het verhaal, als Jezus de boodschap krijgt dat Zijn vriend ziek is, dan zegt Hij: “Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God.” (vs. 4). En de eer van God, dat is de levende mens.

Ds. B. Altena is gemeentepredikant 
in de Protestantse Gemeente Oost-Groningen 

LEESROOSTER | Bert Altena

Meest gelezen